en-GBnl-NL

In de Media

10

Waar eindigen de rechten en bevoegdheden van internet platforms?

posted on
Waar eindigen de rechten en bevoegdheden van internet platforms?

Auteurs: Mrs. Lorna Davelaar en Kelhi-Nahray Saleh-Rog

Willemstad - Heeft u dat ook wel eens? Dat u zich afvraagt hoe het toch mogelijk is dat internet platforms en webhosting providers zelf bepalen wat men wel of niet online kan zeggen? De laatste tijd is er toenemende aandacht voor de vraag of en in hoeverre online platforms het klassieke grondrecht van de vrijheid van meningsuiting kunnen beperken.

 

Recente voorbeelden

De protesten en de bestorming van het Amerikaanse Capitool op 6 januari 2021 worden als opruiing, rebellie, binnenlands terrorisme en couppogingen beschreven. Die bestorming van het Capitool werd, volgens waarnemers, door de voormalige Amerikaanse president Donald Trump aangezet op de sociale media.

De avondklokrellen in Nederland begonnen vorige week met opruiende oproepen op de sociale mediaplatforms als Telegram en Snapchat. Relschoppers hebben op online platforms als het ware vrij spel om af te spreken en zich te organiseren. De VVD (zie De Telegraaf van 2 februari 2021) vindt dat de online platforms zélf de opruiende oproepen en het organiseren van rellen moeten tegengaan. Volgens de VVD kunnen de eigenaren van de online platforms opruiende content van hun platforms verwijderen of voorkomen. De VVD vindt dat het oproepen tot geweld niet onder de vrijheid van meningsuiting valt en dat de sociale media daartoe geen gelegenheid horen te geven.

Facebook blokkeerde de account van Donald Trump. De bestuurder van Facebook, Mark Zuckerberg, gaf aan dat de blokkade in ieder geval tot aan de inauguratie van Joe Biden zou voortduren. De presidentiële wisseling van de wacht is inmiddels geschied, Donald Trump wordt nog steeds van het platform geweerd. Nu buigt de Oversight Board, een instantie die beslissingen neemt over het modereren van inhoud op het sociale mediaplatform van Facebook, zich over de vraag of de ban gehandhaafd moet blijven. De account van Trump werd op Twitter permanent gesloten. Ook YouTube heeft besloten om het kanaal van Trump tijdelijk te blokkeren omdat hij in strijd handelde met het beleid van het videoplatform, dat het aanzetten tot geweld verbiedt.

De vraag rijst of de blokkades van de accounts van Trump een inbreuk maken op de vrijheid van meningsuiting en of dit uberhaupt een beslissing is die grote tech-bedrijven moeten nemen. Laatstgenoemden beroepen zich daartoe op hun gedragscode dan wel redactiestatuten.

Wikipedia heeft onlangs voor het eerst een universele gedragscode uitgebracht die desinformatie en intimidatie op de Wikipedia site moet tegengaan. In de gedragscode is opgenomen wat gebruikers wel en niet mogen op de website. Zo verbiedt Wikipedia haar gebruikers om opzettelijk onjuiste informatie aan artikelen toe te voegen. Ook mogen de gebruikers elkaar niet intimideren en pesten. Wikipedia heeft echter nog niet aangekondigd wat de gevolgen zijn voor overtreders. Dit zal later bekend worden gemaakt. Het standpunt van Wikipedia geeft ondertussen opnieuw blijk van de universele ontwikkelingen die gaande zijn op het gebied van de beperking van de vrijheid van meningsuiting door: media platformen.

In de Verenigde Staten (hierna: de ‘VS’) heeft de rechtbank in Seattle ondertussen al een voorlopig oordeel geveld in een zaak tussen Parler LLC, een aan Twitter soortgelijk platform, en Amazon Web Servies. Deze rechtsverhouding wordt door het contractenrecht beheerst. In de zaak heeft de (Amerikaanse) rechter zeer expliciet geoordeeld dat een beroep op het klassieke grondrecht van de vrijheid van meningsuiting slechts verticale werking heeft. Dit houdt in dat dit klassiek grondrecht slechts geldt in de verhouding tussen de burger en de overheid. De vrijheid van meningsuiting geldt volgens de Amerikaanse rechtbank niet in een verhouding tussen burgers onderling, daaronder ook begrepen rechtsverhoudingen met privaatrechtelijke organisaties.

 

Verticale en horizontale werking

Het recht op vrijheid van meningsuiting is een grondrecht dat van groot belang is in een vrije democratische samenleving. Op Curaçao wordt de vrijheid van meningsuiting op het internet geregeld in het derde lid van artikel 9 van de Staatsregeling en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘EVRM’). De vrijheid van meningsuiting is vooral belangrijk omdat het ruimte geeft om kritiek te uiten.

Bij grondrechten wordt meestal gedacht aan de bescherming van de burger tegen de almachtige overheid (dit wordt aangeduid met de verticale werking van grondrechten).

Men kan zich echter ook afvragen of de grondrechten op Curaçao ook gelden in privaatrechtelijke verhoudingen, derhalve ook in de rechtsverhouding tussen een online platform en gebruikers van het platform.

Rechters zijn bereid gebleken om in een horizontale verhouding (burger vs burger) directe toepassing te geven aan een grondrechtelijke bepaling[1], zo mag een werkgever geen bezoldigingsonderscheid maken tussen gehuwden en ongehuwden en ook niet tussen man en vrouw, zo mag een discotheek eigenaar niet-blanken niet weren uit zijn dancing, zo moet een politieke partij (al geeft zij een andere uitleg aan de bijbel) toestaan dat ook vrouwen deel kunnen vormen van hun bestuur en op hun kieslijst mogen voorkomen. De grondrechten kunnen ook in privaatrechtelijke verhoudingen gelden. Geldt dit principe dan ook tussen een online platform en een gebruiker ? Moet er steeds toegang tot de platform worden verleend ? Mag de inhoud van de meningsuiting door het platform preventief worden gecontroleerd ?

Bij de verticale beperking van de vrijheid van meningsuiting moet er een bevredigende afbakening worden gevonden tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting, en anderzijds de rechten van anderen en de gemeenschapsbelangen, welke van een zodanig gewicht zijn dat de vrijheid van meningsuiting zal dienen te wijken.

De belangrijkste wetten die grenzen stellen aan de inhoud van uitingen zijn het Burgerlijk Wetboek (onrechtmatige daad, artikel 6:162 BW) en het Wetboek van Strafrecht (smaad en laster, respectievelijk artikelen 2:223 en 2:224 Sr). Er vindt daarbij een repressief en geen preventieve toetsing plaats.

Het doorgeven (het verspreiden) van onrechtmatig geachte uitlatingen kan daarenboven aan het verspreidingsmedium worden tegengeworpen.

Uiteindelijk is het de rechter die per geval kan bepalen of een uiting al dan niet strafbaar dan wel verwijtbaar is. De rechter neemt het navolgende in zijn oordeel mee: de exacte inhoud van de uiting, wie de uiting doet, in welke context dit gebeurt en wat de gevolgen zijn voor degene die door de uiting wordt geraakt.

De vraag rijst of de vrijheid van meningsuiting ook een rol speelt in de relaties tussen burgers en internet platform bedrijven (horizontale werking).

Internet platforms zijn particuliere bedrijven. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kent in beginsel geen horizontale werking toe aan het bepaalde in artikel 10 EVRM. De bepalingen uit het EVRM kunnen echter op indirecte wijze doorwerken in horizontale verhoudingen, bijvoorbeeld door de invulling van privaatrechtelijke open normen. Een belangenafweging tussen de belangen van internet platforms en de belangen van gebruikers is daarbij noodzakelijk. Die afweging wordt per geval door een rechter gemaakt.[2]

De YouTube-video’s waarin een huisarts heeft aangegeven dat het geneesmiddel Hydroxychloroquine tegen COVID-19 werkt, werden als desinformatie (misleidende informatie) aangemerkt en mochten door YouTube verwijderd worden.[3] De video’s werden verwijderd omdat deze in strijd werden geacht met het door YouTube opgestelde ‘Beleid tegen misleidende medische informatie over COVID-19’. De huisarts heeft gesteld dat YouTube haar vrijheid van meningsuiting heeft geschonden en censuur heeft gepleegd. YouTube heeft volgens de kort geding rechter een zorgplicht om de vrijheid van meningsuiting van haar gebruikers te bewaken. Echter, ging het om uitlatingen met ‘onjuiste informatie die mogelijk schadelijk en gevaarlijk is’ en die bovendien ook nog eens door een huisarts[4] werden gedaan.

Volgens de kort geding rechter heeft YouTube in lijn gehandeld met de ‘Code of Practice on Disinformation’ van de Europese Commissie.[5]

Beargumenteerd kan worden dat internet platformen zelf mogen bepalen wat wel en niet door de beugel kan. Wat is dan het probleem als die bedrijven gewoon netjes hun regels handhaven ?

Het dilemma ontstaat door het feit dat een internet platform in één klap de toegang tot het grote publiek volledig kan blokkeren, zoals in het geval van Trump. Deze blokkades tonen aan dat grote internet platforms tegelijk aanklager, rechter en beul zijn.[6] Kunnen die tech-bedrijven wel zorgvuldig afwegen wat wel of niet door de beugel kan? Zijn deze bedrijven onafhankelijk of kiezen zij partij ? Wie controleert hun beleid en besluiten die zij bij dit beleid nemen? Moet deze controle via de privaatrechtelijke normstelling van het overeenkomstenrecht plaatsvinden, zoals in de VS in de rechtszaak Parler/Amazon of moet de controle plaatsvinden via de EVRM/Staatsregeling en de horizontale werking ?

Tech-bedrijven hebben tegenwoordig meer macht dan we denken. Kijk in dit kader naar Google, die dreigt de zoekmachine in Australië af te sluiten als Australië de voornoemde nieuwe mediawet invoert. Google vindt het onzin dat Big Tech nieuwsbedrijven, zoals Facebook en Google, moeten betalen voor het doorverwijzen naar nieuwsartikelen. Google trekt liever de stekker eruit. Nu kunt u zich afvragen wat het internet is zonder Google.

Hebben internet platforms niet te veel macht en te weinig verantwoordelijkheid ?

Artikel 230 van de Telecommunicatiewet van de VS stelt internet platforms gelijk aan telecom-operators, die niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de content (de inhoud) die door gebruikers op het netwerk worden geplaatst. De internet bedrijven laten aldus veel berichten staan, zich beroepend op de vrijheid van meningsuiting die je nooit in een krant zou zien. In beginsel kan in de VS de krant aansprakelijk worden gesteld, voor Facebook of Twitter hoort dat ook te gaan gelden.

In het licht van Trias Politica moet de macht worden verdeeld over de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht. Wat onze wenkbrauwen doet optrekken is het feit dat beslissingen omtrent de invulling en de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting tegenwoordig genomen worden door online platforms (en niet door de rechtsprekende, dan wel de wetgevende macht). Het voorgaande doet bij ons de volgende vragen rijzen: (1) Zouden dergelijke beslissingen aangevochten moeten worden bij een rechterlijke instantie ? (2) Zouden online platformen de bevoegdheid moeten hebben om de vrijheid van meningsuiting (preventief) lukraak te kunnen beperken ?

Grote tech-bedrijven kunnen hun eigen beleid maken en handhaven, dat is in principe oké, maar wie heeft het toezicht op hun beleid ? Tech-bedrijven lopen risico’s bij de verspreiding, zij kunnen namelijk op verspreiding van onjuiste boodschappen worden aangesproken.

De één noemt de beslissingen die media platforms nemen over uitlatingen van hun gebruikers het ‘handhaven van beleid’ en de ander noemt het ‘censuur’.

Wat denkt u ?

 

 

[1] Zie onder meer HR 8 oktober 2004, NJ 2005, 117 (Van Pels vs. Martinair).

[2] Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 3965.

[3] Rb. Amsterdam (vzr.) 9 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4435. (YouTube).

[4] Gerechtvaardigde vertrouwen is het redelijkerwijs niet te hoeven twijfelen aan de juistheid van mededelingen die een partij (huisarts) heeft gedaan.

[5] YouTube Help, ‘Beleid tegen misleidende medische informatie over COVID-19’.

[6] Montesquieu stelt dat er in iedere samenleving drie machten zijn, namelijk de wetgevende macht, de rechtsprekende macht en de uitvoerende macht. Het is volgens hem nodig om checks and balances in te voeren, zodat niemand onevenredig veel macht krijgt.

| View Count: (149) | Return

Related

Not any article

Nieuws ontvangen

Name